ECLI:NL:RVS:2015:1298
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 5 december 2013 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard op 11 april 2014. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
In hoger beroep betoogde de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende rekening hield met het belang van de kinderen bij contact met beide ouders en dat het besluit voldoende gemotiveerd was. De vreemdeling stelde dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, artikel 3 IVRK Pro, artikel 24 Handvest Pro en de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris de belangenafweging zorgvuldig had gemaakt, waarbij het belang van de staat en het restrictieve toelatingsbeleid zwaarder woog. De rechtbank had onvoldoende motivering gegeven waarom het belang van de kinderen onvoldoende was meegewogen. De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat het besluit van 11 april 2014 niet in strijd was met het EVRM, IVRK, Handvest of de richtlijn en dat de vreemdeling onvoldoende bijzondere omstandigheden had gesteld om verblijf toe te staan. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.