ECLI:NL:RVS:2015:137
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging in hoger beroep tegen besluit Raad voor Rechtsbijstand
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvragen om een toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand. De aanvragen waren gericht op procedures tegen een afwijzende beslissing van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 2 oktober 2012. De raad had de aanvragen afgewezen omdat op het moment van aanvragen geen belang meer bestond, mede omdat het hoger beroep in de asielprocedure gegrond was verklaard en de IND de aanvraag opnieuw moest beoordelen.
Appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte het beginsel van hoor en wederhoor slechts had getoetst aan artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en dat ook het EVRM en het Handvest betrokken hadden moeten worden. De Afdeling oordeelde dat appellant zelf had gekozen niet te verschijnen bij de hoorzitting, waardoor geen schending van het beginsel was. Tevens stelde appellant dat de aanvragen om toevoeging betrekking hadden op een terughaalverzoek van 22 december 2012, maar dit was niet kenbaar gemaakt in de bezwaarprocedure en pas in hoger beroep aangevoerd. De Afdeling volgde dit standpunt niet.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank waarin het beroep ongegrond werd verklaard en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging wordt bevestigd.