ECLI:NL:RVS:2015:1370
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- N. Verheij
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake boete arbeid vreemdeling zonder vergunning
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 22 november 2012 een boete van €4.000,- op aan de wederpartij wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling niet als werknemer in de zin van artikel 45 van Pro het VWEU kon worden beschouwd. Uit verklaringen bleek dat de vreemdeling daadwerkelijk arbeid verrichtte onder gezag van de wederpartij en dat er een intentie tot beloning bestond, ook al was deze nog niet formeel vastgesteld. De werkzaamheden waren niet marginaal of bijkomstig.
Verder stelde de Afdeling vast dat het onderzoek van de minister zorgvuldig was verricht, ondanks dat de vreemdeling minderjarig was en zonder ouderlijke toestemming was gehoord. De minister mocht uitgaan van de verklaringen van de arbeidsinspecteur. Ook was er geen aanleiding voor matiging van de boete, omdat de wederpartij onvoldoende maatregelen had getroffen om overtreding te voorkomen en de werkzaamheden mogelijk verdringing van legale arbeidskrachten veroorzaakten.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de wederpartij ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de wederpartij ongegrond, bevestigend dat de boete terecht is opgelegd.