ECLI:NL:RVS:2015:1410
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling heeft recht op analoge toepassing van EU-richtlijn bij ongewenstverklaring
De vreemdeling verzocht om opheffing van zijn ongewenstverklaring, welke door de minister en later door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden. De vreemdeling, als duurzame partner van een Nederlandse burger, stelde dat de richtlijn analoog op hem van toepassing is en dat het openbare orde-criterium uit artikel 27 van Pro de richtlijn ten onrechte niet is getoetst.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling als duurzame partner gelijkgesteld moet worden met een familielid van een burger van de Unie en dat artikel 5 van Pro de richtlijn, dat het inreisrecht regelt, analoog op hem van toepassing is. Het recht om Nederland binnen te komen kan slechts worden beperkt op grond van artikel 27 van Pro de richtlijn. De staatssecretaris heeft dit criterium niet juist toegepast, waardoor het hoger beroep gegrond is verklaard en het besluit en de uitspraak van de rechtbank zijn vernietigd.
De staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan de vreemdeling. Hiermee is het verzoek van de vreemdeling alsnog toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak vernietigd en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.