ECLI:NL:RVS:2015:1415
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring Nederlanderschap voor minderjarig kind wegens strafzaak
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de weigering van de burgemeester van Rotterdam om de verklaring van verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen voor zijn minderjarige kind. De burgemeester baseerde deze weigering op het bestaan van een strafzaak tegen het kind wegens een overtreding van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de omstandigheden niet zodanig bijzonder waren dat de weigering onterecht was. Het kind was bij het opmaken van het proces-verbaal nog geen zestien jaar, maar dat maakte geen verschil voor de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde. De Raad van State onderschrijft deze beoordeling en wijst het beroep af.
Daarnaast betoogde appellant dat de weigering discriminatoir was in het licht van het Europees Verdrag inzake nationaliteit, maar dit werd door de Raad van State verworpen. De Raad benadrukt dat de situatie van medeverkrijging van het Nederlanderschap door geboorte niet gelijkgesteld kan worden met de optieprocedure voor een zestienjarig kind.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de burgemeester om de verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen voor het minderjarige kind.