ECLI:NL:RVS:2015:1494
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling naar DRC
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 9 maart 2015 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen tijdens de behandeling van het hoger beroep.
De vreemdeling voerde aan dat hij bij uitzetting naar de Democratische Republiek Congo een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro, mede vanwege verklaringen die hij had afgelegd bij het Internationaal Strafhof. Tevens stelde hij dat het besluit van 9 maart 2015 onzorgvuldig en ondeugdelijk was gemotiveerd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die het eerdere besluit konden doen herzien. Tevens werd verwezen naar eerdere uitspraken waarin was vastgesteld dat er ernstige redenen waren om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan misdrijven en dat hij geen aannemelijk risico had op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd dan ook als kennelijk ongegrond afgewezen, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting van de vreemdeling naar de DRC is afgewezen.