ECLI:NL:RVS:2015:1511
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen nieuw feiten bij afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af bij besluit van 10 juli 2014. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de door de vreemdeling overgelegde nationaliteitsverklaring, geboorteverklaring en verklaring van de ambassade te Brussel geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vormden, omdat deze documenten reeds eerder hadden kunnen worden overgelegd. De vreemdeling gaf geen geldige reden waarom hij deze documenten niet eerder had kunnen aanleveren.
Verder concludeerde de Raad dat de omstandigheden die de vreemdeling aanvoerde, zoals het risico op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro vanwege de situatie in Somalië en zijn persoonlijke kenmerken, niet relevant waren omdat hij zijn herkomst niet aannemelijk had gemaakt. Er was geen sprake van een relevante wijziging van het recht of een bijzondere situatie die toetsing van het besluit rechtvaardigde.
Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.