ECLI:NL:RVS:2015:153
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak en opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken terugkeerbesluit
De vreemdeling was op 28 november 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of het besluit van 20 april 2005, waarin de vreemdeling ongewenst werd verklaard, kon worden aangemerkt als een terugkeerbesluit. De Afdeling oordeelde dat dit besluit niet voldeed aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn en de Vreemdelingenwet 2000, omdat het geen vertrektermijn bevatte en niet expliciet de terugkeerplicht vaststelde.
Omdat voorafgaand aan of gelijktijdig met de bewaring geen geldig terugkeerbesluit was genomen, was de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de bewaring per 14 januari 2015 werd opgeheven. Tevens werd een schadevergoeding toegekend en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de vreemdelingenbewaring opgeheven en een schadevergoeding toegekend.