ECLI:NL:RVS:2015:1595
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inbewaringstelling vreemdeling wegens onrechtmatige staandehouding
De vreemdeling werd op 1 april 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van de staandehouding op 31 maart 2015. De vreemdeling voerde aan dat de staandehouding niet plaatsvond op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, zoals vereist in artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Uit het proces-verbaal bleek niet duidelijk onder welke bevoegdheid de staandehouding en identiteitscontrole plaatsvonden.
De Raad van State overwoog dat bij onduidelijkheid moet worden aangenomen dat de controle plaatsvond op grond van artikel 50 Vw Pro 2000, maar dat de omstandigheden geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleverden. Hierdoor was de staandehouding onrechtmatig. De daarop volgende bewaring was ook niet gerechtvaardigd, mede omdat de staatssecretaris onvoldoende zwaarwegende belangen had gesteld.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en hief de bewaring op. Tevens werd een vergoeding van €3.360 toegekend aan de vreemdeling en proceskosten van €1.470 aan diens rechtsbijstand.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven wegens onrechtmatige staandehouding en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.