ECLI:NL:RVS:2015:1596
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking exploitatie- en Drank- en Horecawetvergunning wegens illegale gokactiviteiten
De burgemeester van Ede trok op 3 november 2014 de exploitatievergunning en de Drank- en Horecawetvergunning (DHW-vergunning) in die aan appellante waren verleend voor haar horecagelegenheid. Deze intrekking werd gehandhaafd na bezwaar en bevestigd door de rechtbank Gelderland op 9 maart 2015. Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De intrekking was gebaseerd op een controle op 2 oktober 2014 waarbij illegale gokapparatuur werd aangetroffen en gebruikt in de inrichting. Uit verklaringen bleek dat deze apparatuur al langere tijd aanwezig was. De burgemeester stelde dat dit een verzwarende omstandigheid vormde en dat het voortbestaan van de vergunningen een gevaar voor de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid opleverde. Appellante voerde aan dat zij niet wist dat de gokzuil illegaal was en dat het tijdsverloop tussen overtreding en besluit niet was meegewogen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester terecht direct tot intrekking was overgegaan vanwege het imperatieve karakter van artikel 31 van Pro de Drank- en Horecawet en dat de rechtbank de belangenafweging correct had gemaakt. Het betoog dat het nalevingsbeleid niet was gevolgd werd buiten beschouwing gelaten omdat dit niet tijdig was ingebracht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de vergunningen wegens illegale gokactiviteiten en wijst het hoger beroep en verzoek om voorlopige voorziening af.