ECLI:NL:RVS:2015:1700
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning vreemdelingen
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees aanvragen van drie vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdelingen stelden beroep in tegen deze besluiten, waarop de rechtbank Den Haag hun beroepen gegrond verklaarde en de besluiten vernietigde. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State toetste of de belangenafweging van de staatssecretaris, in het kader van artikel 8 EVRM Pro (recht op privé- en gezinsleven), zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd was. De staatssecretaris had onder meer meegewogen dat de vreemdelingen nooit een verblijfsvergunning hadden gehad, dat zij bekend waren met de Colombiaanse cultuur en taal, en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die verblijf in Nederland rechtvaardigden.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had erkend dat de staatssecretaris een 'fair balance' had gevonden tussen het belang van de vreemdelingen en het Nederlandse migratiebeleid. De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond. Tevens oordeelde de Raad dat de staatssecretaris niet verplicht was om een verblijfsvergunning te verlenen op grond van bijzondere individuele omstandigheden.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de beroepen van de vreemdelingen ongegrond.