ECLI:NL:RVS:2015:1763
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten minister inzake Wob-verzoeken wegens onbevoegdheid en schending hoor en wederhoor
De zaak betreft hoger beroep van appellant tegen besluiten van de minister van Veiligheid en Justitie inzake verzoeken om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De rechtbank had de besluiten van 5 juli 2013 vernietigd maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank onterecht een besluit heeft betrokken dat na sluiting van het onderzoek is ingediend zonder appellant gelegenheid te geven te reageren, waarmee het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.
Verder constateert de Raad dat de besluiten van 5 juli 2013 onbevoegd zijn genomen omdat de mandaatregeling destijds niet voorzag in de juiste mandatering, wat strijd oplevert met het rechtszekerheidsbeginsel. Na wijziging van de mandaatregeling per 7 augustus 2013 is de mandatering wel rechtsgeldig, en de besluiten zijn daarna door het College bekrachtigd.
De Raad vernietigt de besluiten van 5 juli 2013, laat de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar tegen het besluit van 7 december 2012 in stand, maar herroept het besluit op bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2013. Daarnaast wordt de minister opgedragen een brief van 13 december 2012 alsnog openbaar te maken. De minister wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €140 en vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De besluiten van 5 juli 2013 worden vernietigd, een besluit wordt herroepen, openbaarmaking wordt gelast en een dwangsom van €140 wordt opgelegd.