ECLI:NL:RVS:2015:1789
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat beroep tegen weigering verblijfsvergunning mede ziet op verzoek opheffing zwaar inreisverbod
De vreemdeling had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die door de staatssecretaris werd afgewezen, terwijl tegelijkertijd een zwaar inreisverbod van kracht was. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk, omdat volgens vaste jurisprudentie een belang bij toetsing van een verblijfsvergunning pas bestaat als het zware inreisverbod niet langer van kracht is.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter vast dat in dit specifieke geval geen samenloop van procedures over het inreisverbod en verblijfsvergunning bestond, omdat het zware inreisverbod al vóór de verblijfsprocedure was uitgevaardigd en in rechte vaststond. Daarom kan de beoordeling van de verblijfsvergunning niet worden geconcentreerd in de toetsing van het inreisverbod.
Om rechtsbescherming te waarborgen, moet een asielaanvraag tegen wie een zwaar inreisverbod geldt, mede worden aangemerkt als een verzoek tot opheffing van dat inreisverbod. De rechtbank had het beroep ten onrechte niet als zodanig behandeld. De Afdeling vernietigt daarom het vonnis en verklaart het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod ongegrond.
Daarnaast oordeelt de Afdeling dat de overige bezwaren van de vreemdeling onvoldoende onderbouwd zijn en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt gegrond verklaard voor zover het niet als verzoek tot opheffing van het zware inreisverbod werd behandeld; het beroep tegen de afwijzing van dat verzoek wordt ongegrond verklaard.