ECLI:NL:RVS:2015:1841

Raad van State

Datum uitspraak
2 juni 2015
Publicatiedatum
10 juni 2015
Zaaknummer
201504060/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende motivering

De vreemdeling werd bij besluit van 28 april 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees tevens het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom niet voor een lichter middel dan bewaring was gekozen. Dit is in strijd met de vereisten voor motivering van een vrijheidsontnemende maatregel. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond.

De vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven met ingang van de uitspraakdatum. Tevens werd aan de vreemdeling een vergoeding toegekend voor de periode van bewaring en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Hiermee werd het besluit tot vreemdelingenbewaring ongedaan gemaakt vanwege gebrekkige motivering.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de vreemdelingenbewaring opgeheven en een vergoeding toegekend.

Uitspraak

201504060/1/V3.
Datum uitspraak: 2 juni 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2015 in zaak nr.15/9006 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 13 mei 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In grief 1 klaagt de vreemdeling, voor zover thans van belang, dat de rechtbank, door te overwegen dat de motivering van de staatssecretaris waarom hij heeft besloten de vreemdeling in weerwil van zijn asielaanvraag in bewaring te stellen en niet tot een lichter middel te besluiten voor zowel de vreemdeling als rechtbank kenbaar en toetsbaar is nu deze zich in het dossier bevindt waarmee de verzwaarde belangenafweging van de vreemdeling als asielzoeker is gegeven, heeft miskend dat de staatssecretaris in het besluit van 28 april 2015, waarbij hij de vreemdeling in vreemdelingenbewaring heeft gesteld, had moeten motiveren waarom in zijn geval niet met een lichter middel dan bewaring kon worden volstaan.
1.1. De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 28 mei 2015 in zaak nr. 201503583/1/V3 beantwoord. Hieruit volgt dat de grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 28 april 2015, waarbij hem een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 28 april 2015 tot heden, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.
3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2015 in zaak nr. 15/9006;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;
V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 2.905,00 (zegge: tweeduizend negenhonderdenvijf euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.
w.g. Verheij w.g. Bakker
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015
395.