ECLI:NL:RVS:2015:1842
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende motivering zicht op uitzetting
Bij besluit van 30 april 2015 werd de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank onterecht niet was ingegaan op de beroepsgrond dat zicht op uitzetting een noodzakelijke voorwaarde is voor een rechtmatige inbewaringstelling. De rechtbank had hierdoor gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze grief slaagde en de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd.
De Raad van State verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, hief de vrijheidsontnemende maatregel op en kende een vergoeding toe over de periode van 30 april 2015 tot de dag van opheffing. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die verband houden met de behandeling van het beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de vreemdelingenbewaring opgeheven en een vergoeding toegekend.