ECLI:NL:RVS:2015:1847
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel wegens beschermingsalternatief Zuid-Korea
De vreemdeling verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 22 mei 2013 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de vraag of de vreemdeling zich redelijkerwijs kan beroepen op het beschermingsalternatief van Zuid-Korea. De vreemdeling stelde dat er een reëel risico bestaat dat Noord-Koreaanse autoriteiten via spionnen in Zuid-Korea op de hoogte raken van haar vestiging, waardoor haar familie in Noord-Korea problemen zou ondervinden.
De staatssecretaris stelde dat de vreemdeling van rechtswege Zuid-Koreaanse nationaliteit bezit en dat een veiligheidsonderzoek door Zuid-Koreaanse autoriteiten niet leidt tot verlies van deze nationaliteit. Tevens achtte hij het risico dat Noord-Koreaanse autoriteiten haar vestiging ontdekken gering.
De Raad van State overwoog dat het beschermingsalternatief moet worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden, maar dat het enkele feit dat Noord-Koreaanse spionnen actief zijn in Zuid-Korea niet leidt tot een reëel risico voor de vreemdeling. De vreemdeling stelde geen individuele omstandigheden die het risico op ontdekking verhogen.
De grief faalt en het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning asiel omdat de vreemdeling zich onder de bescherming van Zuid-Koreaanse autoriteiten kan stellen.