ECLI:NL:RVS:2015:1874
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving tegen te hoge erfafscheiding in voortuin te Voorschoten
Het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten legde appellante een last onder dwangsom op om een erfafscheiding in haar voortuin te verwijderen of terug te brengen tot een vergunningvrije hoogte van maximaal één meter. Appellante stelde dat het college niet bevoegd was tot handhaving omdat de erfafscheiding vóór de Wabo was gebouwd en destijds niet in strijd was met het bestemmingsplan of welstandseisen.
De Raad van State overwoog dat het verbod om zonder vergunning te bouwen ook geldt voor bouwwerken die niet voldoen aan de vergunningvrije criteria. De erfafscheiding was hoger dan toegestaan en er was geen vergunning verleend. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden. Het argument dat er sprake was van legalisering werd verworpen omdat het college niet bereid was een vergunning te verlenen en geen concreet zicht op legalisering bestond.
Verder werd geoordeeld dat het college niet in strijd handelde met het gelijkheidsbeginsel, omdat de situaties van andere vergunningen niet vergelijkbaar waren. Ook was het handhavend optreden niet onevenredig. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving van de te hoge erfafscheiding bevestigd.