ECLI:NL:RVS:2015:188
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- N. Verheij
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen bestuurlijke boete en last onder dwangsom
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde op 26 november 2012 aan appellante sub 1 een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom op naar aanleiding van een inspectie door de GGD Den Haag. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het college verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk wegens te late indiening. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
Appellante stelde dat het bezwaar tijdig was ingediend door haar directeur, die het bezwaar op 7 januari 2013 persoonlijk bij de centrale balie van het stadhuis had ingediend, maar geen ontvangstbevestiging had gekregen. De Raad van State overwoog dat het bezwaar namens appellante door haar directeur was ingediend, omdat hun belangen identiek zijn en er geen twijfel bestond over wie bezwaar maakte.
De Raad van State oordeelde dat de bezwaartermijn op 27 november 2012 begon en op 7 januari 2013 eindigde. Omdat het bezwaar een ontvangststempel van 9 januari 2013 droeg, was het te laat ingediend. Appellante had onvoldoende bewijs geleverd dat het bezwaar eerder was ingediend. De verklaring over de gang van zaken op het stadhuis was niet consistent en overtuigend. Het incidenteel hoger beroep van het college verviel omdat het afhankelijk was van een gegrondverklaring van het hoger beroep van appellante.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellante af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het bezwaar niet tijdig is ingediend en verklaart het hoger beroep van appellante ongegrond.