ECLI:NL:RVS:2015:1899
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen ontgrondingsvergunning voor percelen in Ooij
Het college van gedeputeerde staten van Gelderland verleende op 6 juni 2014 een ontgrondingsvergunning aan de Dienst Landelijk Gebied voor het ontgronden van percelen in de gemeente Ooij. Appellanten betoogden dat onvoldoende rekening was gehouden met hun belangen, met name vanwege mogelijke vernatting van hun percelen en een ontoereikend geohydrologisch onderzoek.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college zich terecht had gebaseerd op een uitgebreid rapport van Witteveen+Bos en een inrichtingsplan van Arcadis. De berekeningen toonden aan dat de effecten op de grondwaterstanden zeer gering zijn en niet zullen leiden tot schadelijke gevolgen voor de percelen van appellanten.
De Raad verwierp de stellingen over onjuiste uitgangspunten in het onderzoek, zoals de ontgrondingsdiepte en de dikte van de kleilaag. Ook de door appellanten overgelegde notitie van Tauw gaf geen aanleiding tot een ander oordeel. De beroepen werden ongegrond verklaard en het college mocht de vergunning verlenen na zorgvuldige belangenafweging.
Uitkomst: Het beroep tegen de ontgrondingsvergunning is ongegrond verklaard en de vergunning is bevestigd.