ECLI:NL:RVS:2015:1922
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 31 juli 2013 de aanvragen van een gezin bestaande uit een moeder en twee minderjarige kinderen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen afgewezen. Tevens werd tegen een van hen een inreisverbod uitgevaardigd. Na een bezwaarprocedure verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Raad van State overwoog dat de vreemdelingen op 14 oktober 2014 documenten ontvingen waaruit bleek dat zij rechtmatig verblijf hadden als gemeenschapsonderdaan. Dit rechtmatig verblijf valt onder een contra-indicatie in de Regeling, waardoor de aanvragen om een verblijfsvergunning afgewezen hadden moeten worden. Hierdoor verloor het hoger beroep van de staatssecretaris zijn belang.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd overwogen dat een nieuwe toetsing mogelijk is indien het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan eindigt, waardoor de situatie kan worden heroverwogen als ware het een eerste afwijzing.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is niet-ontvankelijk verklaard wegens het bestaan van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan.