ECLI:NL:RVS:2015:1955
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling handhavingsverzoek tegen autoreinigingsactiviteiten op woonerf
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland om handhavend op te treden tegen het reinigen van auto's op een woonerf nabij zijn woning, wat volgens hem in strijd was met het bestemmingsplan en leidde tot belemmering van het recht van overpad en gevaarzetting voor hulpdiensten.
Het college wees het verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank Rotterdam, die het beroep ongegrond verklaarde. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht geen last onder dwangsom oplegde omdat na een waarschuwing geen reinigingswerkzaamheden meer waren geconstateerd en er geen gegronde vrees voor herhaling bestond. Ook was geen sprake van een onveilige situatie door parkeren. Het betoog dat het college niet tijdig had beslist en appellant daardoor recht had op een dwangsom faalde omdat het college binnen de termijn een besluit nam.
Ten slotte wees de Afdeling het verzoek om schadevergoeding af omdat geen schadeoorzaken waren vastgesteld. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om handhaving en schadevergoeding afgewezen.