ECLI:NL:RVS:2015:1980
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en matiging boetes wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluiten van 1 maart en 6 april 2012 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan appellante boetes op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellante stelde dat de minister onvoldoende had aangetoond dat vreemdelingen arbeid hadden verricht en voerde aan dat de boetes gematigd moesten worden vanwege haar inspanningen ter naleving van de Wav.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2012 ongegrond en vernietigde het besluit van 24 oktober 2012 gedeeltelijk. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister voldoende bewijs had geleverd dat vreemdelingen arbeid hadden verricht, maar dat de boetes onterecht hoog waren vastgesteld.
De Afdeling matigde de boetes met 75% vanwege de inspanningen van appellante om overtredingen te voorkomen, waaronder het verzenden van controlebrieven en bijdragen aan maatregelen van derden. De boetes werden vastgesteld op respectievelijk € 6.000 en € 2.000. Verder vernietigde de Afdeling het besluit van 18 oktober 2012 en herroept het besluit van 1 maart 2012. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.
De Afdeling verwierp de overige betogen van appellante, waaronder dat de boetes nihil moesten zijn vanwege vermeende afwezigheid van verwijtbaarheid en dat de arbeid incidenteel en kortdurend zou zijn geweest. De uitspraak bevestigt het belang van een evenredige sanctie en de discretionaire bevoegdheid van de minister bij boeteoplegging onder de Wav.
Uitkomst: De boetes wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen worden gematigd en deels vernietigd, met vergoeding van proceskosten aan appellante.