ECLI:NL:RVS:2015:2008
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling blijvende actuele bedreiging door toepassing artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar van een vreemdeling tegen zijn ongewenstverklaring gegrond verklaarde. De vreemdeling was ongewenst verklaard vanwege ernstige redenen te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid had gepleegd, zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat de vreemdeling een actuele bedreiging vormde, mede omdat de persoonlijke deelname aan de misdrijven niet vaststond. De staatssecretaris stelde dat de toepassing van artikel 1(F) op zichzelf voldoende is om een actuele bedreiging aan te nemen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat artikel 1(F) restrictief moet worden uitgelegd maar dat de toepasselijkheid ervan impliceert dat de vreemdeling persoonlijk verantwoordelijk wordt gehouden voor ernstige misdrijven. De aanwezigheid van een vreemdeling op wie artikel 1(F) van toepassing is, vormt een blijvende actuele bedreiging voor fundamentele belangen van de samenleving. Daarom is geen aanvullende motivering vereist om een actuele bedreiging aan te nemen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.