ECLI:NL:RVS:2015:2011
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende geloofwaardigheid bekering
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 20 maart 2015 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 april 2015 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling beoordeelde of de rechtbank terecht had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende inzichtelijk had gemaakt waarom de gestelde bekering van de vreemdeling ongeloofwaardig was. De staatssecretaris hanteert een vaste gedragslijn met een uitgebreide vragenlijst over het proces en de motieven van bekering, de persoonlijke betekenis en de kennis van de geloofsleer.
Uit het onderzoek bleek dat de staatssecretaris deze vragenlijst correct had toegepast en dat de vreemdeling vaag en summier had verklaard over haar bekering. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de bekering ongeloofwaardig was. Daarom werd het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.