ECLI:NL:RVS:2015:2017
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken uitzonderlijke situatie in Zuid-Irak
De staatssecretaris heeft op 12 september 2014 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de vraag of in de Iraakse provincie Najaf, gelegen in Zuid-Irak, sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000, die bescherming tegen terugkeer rechtvaardigt. De vreemdeling stelde dat de mate van willekeurig geweld in Najaf zodanig is dat terugkeer onveilig is, onderbouwd met rapporten van UNHCR en VluchtelingenWerk.
De staatssecretaris voerde aan dat Zuid-Irak niet door IS wordt bezet en dat het geweld daar beperkt en gericht van aard is, in tegenstelling tot andere provincies waar een besluit- en vertrekmoratorium geldt. Uit ambtsberichten van september 2014 en april 2015 blijkt dat hoewel er sektarisch geweld en incidenten zijn, de veiligheidssituatie in Zuid-Irak relatief stabiel is en er geen grote ontheemdenstromen zijn.
De Afdeling toetste de situatie aan de criteria voor een uitzonderlijke situatie, zoals de mate van willekeurig geweld, aanwezigheid van veiligheidsstructuren en ontheemdenstromen. Geconcludeerd werd dat het geweld in Zuid-Irak niet de drempel van een uitzonderlijke situatie haalt en dat de veiligheidsstructuur, hoewel beperkt, aanwezig is. De grieven van de vreemdeling faalden en het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarbij de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel is bevestigd.