ECLI:NL:RVS:2015:206
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks beroep op EU-verordening
De minister legde aan appellante een boete van €8.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) omdat een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtte. Na gedeeltelijke herroeping stelde de boete op €4.000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.
Appellante voerde aan dat de vreemdeling als medevennoot van een bedrijf zelfstandig werkte en dat hij als gezinslid van een werknemer op grond van Verordening (EEG) nr. 1612/68 vrij arbeid mocht verrichten. De rechtbank had echter gemotiveerd vastgesteld dat sprake was van een gezagsverhouding en dat een tewerkstellingsvergunning vereist was.
De Raad van State oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd voor het ontbreken van een gezagsverhouding en voor het beroep op de EU-verordening. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €4.000 wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder vergunning.