ECLI:NL:RVS:2015:2063
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na hoger beroep
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 5 december 2013 een boete van €12.000 op aan een vennootschap wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Na bezwaar en beroep werd de boete door de rechtbank verlaagd tot €4.000. De minister stelde hoger beroep in tegen deze matiging, terwijl de vennootschap incidenteel hoger beroep instelde tegen de boete.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling de werkzaamheden niet als zelfstandige, maar onder gezag van de vennootschap had verricht, ondanks dat de vreemdeling een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en een VAR-verklaring had. De rechtbank had ten onrechte de boete gematigd vanwege de beperkte duur van de arbeid en het ontbreken van opzet. De minister had terecht gewezen op het belang van handhaving van de Wav, ook bij kortdurende arbeid.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de rechtbank Gelderland en verklaarde het beroep van de vennootschap ongegrond. De boete van €12.000 bleef gehandhaafd. Tevens werd vastgesteld dat het vergunningvereiste voor Bulgaarse werknemers pas per 1 januari 2014 verviel, waardoor de overtreding in 2013 nog strafbaar was.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 1 juli 2015 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €12.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en vernietigt de lagere uitspraak die de boete matigde.