ECLI:NL:RVS:2015:2066
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boetes wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks betwisting gezagsverhouding en matigingsverzoeken
De minister legde appellanten boetes op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) omdat zij Bulgaarse vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid lieten verrichten. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Raad van State.
Appellanten voerden aan dat zij geen werkgevers waren in de zin van de Wav, omdat de vreemdelingen als zelfstandigen werkten, en dat de boetes niet in verhouding stonden tot de ernst van de overtreding. De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat sprake was van een gezagsverhouding en dat de vreemdelingen niet zelfstandig werkten. Tevens faalden de matigingsverzoeken omdat appellanten onvoldoende hadden aangetoond dat zij alles hadden gedaan om overtreding te voorkomen, geen financiële gegevens hadden overgelegd, en het beroep op fiscale eenheid en doorbelasting van boetes niet relevant was.
Ook het betoog dat de minister willekeurig had gehandeld werd verworpen, omdat matiging bij andere opdrachtgevers was gebaseerd op een onduidelijke arbeidsmarktaantekening, terwijl appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij hierover in verwarring waren. De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boetes wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en wijst het hoger beroep af.