ECLI:NL:RVS:2015:2095
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod wegens onvoldoende medewerking aan vertrek
Bij besluiten van 22 juli 2013 heeft de staatssecretaris de aanvragen van een gezin vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en tegen twee gezinsleden een inreisverbod uitgevaardigd. De staatssecretaris stelde dat de vreemdelingen niet voldoende hadden meegewerkt aan hun vertrek, een contra-indicatie in de Regeling langdurig verblijvende kinderen. De vreemdelingen voerden aan dat zij wel degelijk hadden meegewerkt, onder meer door contact met de DT&V en de IOM.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond en de vreemdelingen gingen in hoger beroep. De Raad van State overwoog dat de staatssecretaris ruime beleidsvrijheid heeft bij de toepassing van de Regeling en dat de voorwaarden voor medewerking aan vertrek niet kennelijk onredelijk zijn. De vreemdelingen slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij voldoende hadden meegewerkt, vooral omdat zij zich niet coöperatief opstelden tijdens vertrekgesprekken en geen reisdocumenten wilden aanvragen.
Ook het argument dat het niet-meewerken aan vertrek van een kind niet aan de ouders kan worden toegerekend, werd verworpen. De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunningen bevestigd wegens onvoldoende medewerking aan vertrek.