ECLI:NL:RVS:2015:2099
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier langdurig verblijvende kinderen wegens niet meewerken aan vertrek
De staatssecretaris heeft op 23 juli 2013 de aanvraag van een gezin bestaande uit vader en drie kinderen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen stelden dat zij rechtmatig verblijf hadden en voldoende meewerkten aan hun vertrek, onder meer door het bijwonen van afspraken met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en een presentatie bij de Iraakse autoriteiten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht de contra-indicatie toepaste dat de vreemdelingen niet hebben meegewerkt aan hun vertrek. Dit oordeel was gebaseerd op het feit dat de vreemdelingen zich niet zelfstandig en uit eigen initiatief tot de vereiste instanties hadden gewend en dat zij geweigerd hadden een laissez passer aan te vragen. De rechtbank en de staatssecretaris mochten verwachten dat zij vanaf het moment dat hun verblijfsvergunningen asiel waren ingetrokken actief zouden meewerken aan hun vertrek.
De Raad van State bevestigde dat de staatssecretaris binnen zijn beleidsvrijheid heeft gehandeld en dat de cumulatieve voorwaarden voor medewerking niet onredelijk zijn. De Afdeling vond dat de vreemdelingen onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij aan hun vertrekplicht hadden voldaan. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd wegens onvoldoende medewerking aan vertrek.