ECLI:NL:RVS:2015:2157

Raad van State

Datum uitspraak
8 juli 2015
Publicatiedatum
8 juli 2015
Zaaknummer
201409663/1/V6
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • H.G. Sevenster
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wavartikel XXV Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks betwisting betalingscapaciteit

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister een boete van €80.000 opgelegd aan appellant wegens tien overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Na bezwaar werd deze boete verminderd tot €44.000. De rechtbank heeft vervolgens het beroep van appellant gegrond verklaard voor zover het ging om de weigering tot het treffen van een betalingsregeling en bepaalde dat de boete in 36 maandelijkse termijnen betaald mocht worden.

Appellant stelde in hoger beroep dat zij de boete niet binnen 36 maanden kon betalen en dat de boete verder gematigd moest worden vanwege haar financiële situatie, waarbij zij wees op een negatief werkkapitaal in de jaarrekening 2013. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft dit betoog onderzocht en vastgesteld dat het negatieve werkkapitaal grotendeels werd veroorzaakt door niet-direct opeisbare leningen zonder aflossingsverplichting en dat appellant over liquide middelen en een positieve nettowinst beschikte.

De Afdeling concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zij door de boete onevenredig werd getroffen en dat zij de betalingsregeling kon nakomen. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €44.000 met betalingsregeling in 36 termijnen wordt bevestigd.

Uitspraak

201409663/1/V6.
Datum uitspraak: 8 juli 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 oktober 2014 in zaak nr. 14/1570 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2012 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 80.000,00 wegens tien overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Bij besluit van 3 april 2014 heeft de minister opnieuw op het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar beslist en dit gegrond verklaard, het besluit van 3 juli 2012 herroepen voor zover daarbij een boete is opgelegd van € 80.000,00 en de boete vastgesteld op € 44.000,00.
Bij uitspraak van 22 oktober 2014 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 april 2014 vernietigd voor zover het de weigering tot het treffen van een betalingsregeling betreft, bepaald dat [appellante] het resterende bedrag van de boete in 36 maandelijkse termijnen betaalt en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 3 april 2014. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. C.M.A. Mertens, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Farahani, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW), zijn verschenen.
Overwegingen
1. Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 462) is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.
2. Het door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 25 april 2012 (hierna: het boeterapport) houdt in dat uit administratief onderzoek is gebleken dat in de periode van januari 2009 tot en met juni 2011 tien vreemdelingen van Chinese nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) in de onderneming van [appellante], gelegen aan de [locatie] te [plaats], werkzaamheden als kamermeisje hebben verricht. Voor deze werkzaamheden heeft het UWV Werkbedrijf geen tewerkstellingsvergunningen verleend.
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij in staat moet worden geacht de haar opgelegde boete van € 44.000,00 binnen 36 maanden te betalen. Zij betoogt dat de boete verder moet worden gematigd, omdat zij, gelet op de door haar overgelegde financiële gegevens, hierdoor onevenredig wordt getroffen. De financiële omstandigheden zijn van dien aard dat zij de boete niet binnen 36 maanden kan betalen. De rechtbank heeft in dit verband niet onderkend dat het werkkapitaal volgens de jaarrekening over 2013 € 127.525,00 negatief is, aldus [appellante].
3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr. 200804654/1/V6) is uitgangspunt dat reden bestaat tot matiging van de opgelegde boete, indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.
3.2. Dat, zoals uit de jaarrekening over 2013 blijkt, het werkkapitaal op 31 december 2012 € 127.525,00 negatief was, leidt niet tot het oordeel dat [appellante] door oplegging van de boete onevenredig wordt getroffen. Hierbij is van belang dat in de door [appellante] overgelegde jaarrekening over 2013 is vermeld dat op 31 december 2013 de bij vaststelling van het werkkapitaal in aanmerking genomen kortlopende schulden en overlopende passiva ten bedrage van € 243.607,00 voor € 184.078,00 bestonden uit niet-direct opeisbare leningen van familie en derden, waarvoor geen aflossingsverplichting bestaat en geen rente betaald behoeft te worden. De enkele stelling van [appellante] ter zitting bij de Afdeling dat dit in weerwil van hetgeen in de jaarrekening is vermeld, niet zo is, faalt reeds omdat zij die niet heeft gestaafd. Voorts beschikte [appellante] blijkens evengenoemde jaarrekening op 31 december 2013 over een bedrag van € 69.508,00 aan liquide middelen, alsmede een bedrag van € 44.630,00 aan vorderingen en overlopende activa, en heeft zij in 2013 een nettowinst van € 16.471,00 behaald. Verder wordt in aanmerking genomen dat het werkkapitaal sinds 2009 is gestegen van € 225.420,00 negatief naar € 125.771,00 negatief in 2013.
Gelet op het vorenstaande, kan uit de door [appellante] overgelegde stukken niet worden opgemaakt dat haar financiële situatie zodanig slecht is, dat zij de boete niet kan betalen en heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij door de boete onevenredig wordt getroffen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat uit de overgelegde gegevens blijkt dat de financiële situatie van [appellante] ook voor de boeteoplegging slecht was. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gezien voor verdergaande matiging van de boete. [appellante] heeft, gelet op de hiervoor vermelde financiële gegevens, evenmin aannemelijk gemaakt dat zij niet aan de door de rechtbank vastgestelde betalingsregeling kan voldoen. Hierbij wordt voorts in aanmerking genomen dat de minister heeft berekend dat de gemiddelde nettowinst van [appellante] over de jaren 2011 tot en met 2013 € 31.551,00 per jaar bedroeg. Op dit bedrag is de levensbehoefte van de vennoten van [appellante] in mindering gebracht, zijnde een bedrag van € 16.254,00, gebaseerd op 100% van de bijstandsnorm. Er blijft dan een bedrag van € 15.297,00 per jaar over als betalingscapaciteit voor de boete. [appellante] heeft deze berekening in hoger beroep niet bestreden.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van der Vlis, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Van der Vlis
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015
164-800.