ECLI:NL:RVS:2015:2169
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake openbaarmaking documenten en proceskostenvergoeding
Appellant verzocht de minister van Veiligheid en Justitie om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De minister wees dit verzoek af en stelde dat de gevraagde documenten niet bij hem berusten. Appellant maakte bezwaar en stelde de minister in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit op bezwaar kennelijk ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de minister wel een besluit had genomen op het Wob-verzoek en dat de ingebrekestelling niet prematuur was. De Afdeling oordeelde dat de brief van 26 maart 2012 als besluit moet worden aangemerkt en dat de minister niet in gebreke was. Het bezwaar tegen het besluit op dwangsommen werd eveneens terecht kennelijk ongegrond verklaard.
De Afdeling stelde vast dat de rechtbank ten onrechte de proceskostenvergoeding laag had vastgesteld en dat appellant recht had op vergoeding van griffierechten. Het hoger beroep van appellant werd gegrond verklaard, het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de minister niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het ging om de proceskostenvergoeding en de minister werd veroordeeld tot een hogere proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant is gegrond verklaard en de minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.