ECLI:NL:RVS:2015:2177
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep staatssecretaris inzake verblijfsvergunning vreemdelingen
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij verschillende besluiten van 27 juni 2013 aanvragen van een gezin van vreemdelingen afgewezen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten, die door de staatssecretaris ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Inmiddels heeft de staatssecretaris aan de vreemdelingen een verblijfsvergunning verleend op grond van bijzondere individuele omstandigheden. Hierdoor heeft de staatssecretaris volgens de Afdeling bestuursrechtspraak geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat het oordeel van de rechtbank over het eerdere besluit niet meer relevant is zolang de verleende vergunning niet wordt ingetrokken.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart daarom het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen. Tevens wordt een griffierecht geheven. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 1 juli 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.