ECLI:NL:RVS:2015:2204
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit CBR tot onderzoek rijvaardigheid na vermoeden gebrekkige geschiktheid
Het CBR legde appellante op 13 december 2013 een onderzoek naar haar rijvaardigheid op, naar aanleiding van een schriftelijke melding van de politie dat er een vermoeden bestond dat zij niet langer beschikte over de vereiste rijvaardigheid en geschiktheid. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het CBR en vervolgens door de rechtbank Noord-Nederland werd afgewezen.
In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat het proces-verbaal waarop het besluit mede was gebaseerd onjuist was, dat de rechtbank ten onrechte het CBR beoordelingsruimte had toegekend en dat het opleggen van het onderzoek rechtsongelijkheid zou veroorzaken. De Raad van State oordeelde dat het CBR in beginsel mocht uitgaan van de juistheid van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal en dat de rechtbank de juiste overwegingen had gemaakt.
Verder stelde de Raad vast dat het CBR op grond van de Wegenverkeerswet 1994 verplicht is een onderzoek op te leggen indien een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid bestaat. Het betoog over rechtsongelijkheid werd niet ontvankelijk verklaard omdat dit niet eerder was aangevoerd. Ook werd geoordeeld dat het CBR het onderzoek mocht laten plaatsvinden voordat de bezwaarperiode was verstreken.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit van het CBR tot het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid van appellante.