ECLI:NL:RVS:2015:222
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing vergoeding rechtsbijstand hoger beroep
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het besluit van de raad voor rechtsbijstand om de vergoeding voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep af te wijzen. De raad had de vergoeding geweigerd omdat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk was verklaard en de werkzaamheden onder de toevoeging voor het maken van bezwaar vielen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het hoger beroep wél als procedure moet worden aangemerkt, ook al is het hogerberoepschrift op nader aan te voeren gronden ingediend. Volgens artikel 1 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 geldt een zaak die aanhangig is gemaakt bij de bestuursrechter als procedure. De Afdeling volgt het standpunt van de raad niet dat het hogerberoepschrift adviserende aard heeft en onder de toevoeging voor bezwaar valt.
De Afdeling vernietigt het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant dat het beroep ongegrond verklaarde. De raad wordt opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen waarin aan appellant een vergoeding wordt toegekend conform artikel 5 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed.
Er zijn geen proceskosten toegekend omdat daarvoor geen grond was. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 januari 2015.
Uitkomst: Het besluit van de raad voor rechtsbijstand wordt vernietigd en appellant krijgt een vergoeding voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.