ECLI:NL:RVS:2015:2232
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake schadevergoeding wegens onrechtmatig OM-handelen
Appellante verzocht het College van procureurs-generaal om vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden door fouten van het Openbaar Ministerie (OM) in de strafvervolging van haar ex-echtgenoot. De minister wees dit verzoek af en de rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond, omdat bezwaar en beroep tegen beslissingen in strafrechtelijke opsporing en vervolging niet openstaan volgens artikel 1:6 Awb Pro.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het onrechtmatig handelen van het OM plaatsvond vóór de inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wns) op 1 juli 2013, waardoor de bestuursrechter niet bevoegd is op grond van artikel 8:88 Awb Pro. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Appellante stelde dat het verzoek niet op strafrechtelijke vervolging, maar op onrechtmatig handelen van het OM was gebaseerd, maar de Afdeling oordeelde dat dit handelen wel degelijk onder de opsporing en vervolging van strafbare feiten valt, zodat bestuursrechtelijke procedures niet mogelijk zijn. De Afdeling wees het beroep af en bepaalde dat appellante zich tot de civiele rechter moet wenden.
De griffierechten voor het hoger beroep worden aan appellante terugbetaald. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.