ECLI:NL:RVS:2015:225
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing huurtoeslag wegens vermogen ondanks vruchtgebruik woning
De Belastingdienst/Toeslagen stelde de huurtoeslag over 2011 voor appellant vast op nihil en vorderde teveel betaalde voorschotten terug. Appellant maakte bezwaar en verzocht om toepassing van een bijzondere situatie, omdat hij niet over het vermogen kon beschikken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat op grond van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) geen aanspraak op toeslag bestaat indien voordeel uit sparen en beleggen wordt meegenomen. De minister van Financiën kan via een ministeriële regeling onbillijkheden corrigeren, zoals in artikel 9 van Pro de Uitvoeringsregeling Awir, maar deze regeling ziet met name op eenmalige uitkeringen en niet op vermogensbestanddelen zoals mede-eigendom van een woning met vruchtgebruik.
Appellant stelde dat hij niet over het vermogen kon beschikken en daardoor onder het bestaansminimum leefde, maar de Raad oordeelde dat dit geen grond is om het vermogen buiten beschouwing te laten. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.