ECLI:NL:RVS:2015:2275
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat koptische christenen in Egypte geen kwetsbare minderheid vormen in asielzaak
De staatssecretaris wees een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel af op grond van het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom koptische christenen niet als kwetsbare minderheid werden aangemerkt.
De staatssecretaris stelde dat het ambtsbericht en de beschikbare landeninformatie geen aanleiding gaven om koptische christenen als kwetsbare minderheid te beschouwen. De vreemdeling had zich beroepen op mediaberichten over incidenten tegen koptische christenen, maar deze betroffen incidenten van beperkte omvang en tijdsduur, die niet wezen op een structurele verslechtering van hun positie.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd. De Raad stelde vast dat de criteria uit de Vreemdelingencirculaire juist waren toegepast en dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico liep op vervolging of onmenselijke behandeling.
Daarom vernietigde de Raad het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en wees het beroep van de vreemdeling ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.