ECLI:NL:RVS:2015:2290
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering kinderopvangtoeslag wegens onvoldoende bewijs eigen betaling
De Belastingdienst/Toeslagen had de kinderopvangtoeslag over 2009 definitief vastgesteld en teveel betaalde voorschotten teruggevorderd omdat appellante niet had aangetoond dat zij zelf kosten had gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante stelde dat de voorschotten via het gastouderbureau aan de gastouder waren betaald en dat zij zelf niets hoefde te betalen. De Afdeling oordeelde dat de Belastingdienst ten onrechte had aangenomen dat appellante geen kosten had gemaakt, omdat de voorschotten volledig via het gastouderbureau waren voldaan.
Echter, appellante had geen schriftelijke overeenkomst met het gastouderbureau overgelegd, wat volgens artikel 52 van Pro de Wet kinderopvang vereist is voor het recht op toeslag. De Afdeling bevestigde dat zonder deze overeenkomst geen recht op toeslag bestaat. Appellante kon dit niet overleggen omdat het gastouderbureau niet meer bestond, maar dit ontsloeg haar niet van de bewijslast. De Afdeling vernietigde het besluit van de Belastingdienst en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.
De Belastingdienst werd verplicht het betaalde griffierecht aan appellante te vergoeden. De Afdeling benadrukte het belang van een deugdelijke administratie en het overleggen van de vereiste schriftelijke overeenkomst bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de Belastingdienst zijn vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.