ECLI:NL:RVS:2015:2306
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring omtrent gedrag voor bewindvoerder na geweldsdelict
Appellant vroeg een verklaring omtrent gedrag (VOG) aan voor de functie van bewindvoerder, maar de staatssecretaris weigerde deze vanwege een recente veroordeling voor mishandeling en eerdere justitiële gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de terugkijktermijn van vier jaar wordt gerekend vanaf het moment van beoordeling en dat het niet vereist is dat een veroordeling onherroepelijk is om te worden betrokken bij de beoordeling. De staatssecretaris mocht het objectieve en subjectieve criterium toepassen op basis van de geregistreerde justitiële gegevens, waaronder de veroordelingen uit 2013 en eerdere feiten uit 2007 en 2008.
Appellant voerde aan dat hij geen direct contact met cliënten heeft en dat de terugkijktermijn verkeerd is toegepast, maar deze bezwaren werden verworpen. De Afdeling concludeerde dat het risico voor de samenleving door de aard en ernst van de feiten zwaarder weegt dan het belang van appellant bij het verkrijgen van de VOG.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG vanwege recente veroordelingen en het risico voor de samenleving.