ECLI:NL:RVS:2015:2350
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake intrekking verblijfsvergunning wegens niet voldoen aan middelenvereiste
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij besluit van 12 december 2013 de aanvraag van de vreemdeling om verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en de vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 7 januari 2013. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beperkte de intrekking tot de periode 7 januari 2013 tot en met 31 maart 2013, waarbij de vergunning voor de periode daarna werd geacht te blijven bestaan. Tevens bepaalde de rechtbank dat de staatssecretaris opnieuw moest beslissen op het bezwaar van de vreemdeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de vreemdeling en haar echtgenoot in de periode januari tot en met maart 2013 niet voldeden aan het middelenvereiste en dat de vergunning vanaf de datum van verlening ingetrokken kon worden. De rechtbank had echter niet de bevoegdheid om de intrekking te beperken tot een deelperiode en te bepalen dat de vergunning daarna bleef bestaan.
De Afdeling vernietigt daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de intrekking beperkte tot 31 maart 2013 en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van de staatssecretaris van 29 januari 2014 geheel in stand blijven. Hierdoor vervalt ook de opdracht aan de staatssecretaris om opnieuw te beslissen op het bezwaar. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning blijft over de gehele periode in stand en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.