AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen dwangsom bij bewoning recreatiewoning in gemeente Gennep
Het college van burgemeester en wethouders van Gennep legde op 16 december 2013 aan verzoekers A en B een last op om binnen drie maanden aan te tonen dat de bewoning van een woning op een perceel te Heijen ten dienste stond van het aangrenzende recreatieterrein, dan wel de bewoning te staken, onder dreiging van een dwangsom van € 2.000 per week tot maximaal € 20.000.
Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank Limburg het besluit voor zover het de hoogte van de dwangsommen betrof en stelde deze vast op de genoemde bedragen. Verzoekers stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoekers om in afwachting van de uitspraak in hoger beroep in de woning te blijven wonen, mede gezien de vroeggeboorte van verzoeker B en het ontbreken van alternatieve woonruimte, zwaarder woog dan het belang van het college. Tevens was niet gebleken dat de bewoning de herontwikkeling van het recreatieterrein zou belemmeren.
Daarom werd aan het besluit een nieuwe begunstigingstermijn verbonden die loopt tot de uitspraak in de bodemprocedure. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verlengt de begunstigingstermijn en schorst de dwangsom tot uitspraak in de bodemprocedure.
Uitspraak
201505282/2/A1.
Datum uitspraak: 21 juli 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te Heijen, gemeente Gennep,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 juni 2015 in zaken nrs. 15/1817 en 15/1818 in het geding tussen:
[verzoekers]
en
het college van burgemeester en wethouders van Gennep.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 16 december 2013 heeft het college [verzoeker A], onderscheidenlijk, [verzoeker B] onder oplegging van een dwangsom van € 2.000,00 per week, met een maximum van € 20.000,00, gelast binnen drie maanden na verzenddatum van het besluit gegevens aan te leveren bij de gemeente Gennep waaruit blijkt dat de huidige en toekomstige bewoning van de woning op het perceel [locatie 1] te Heijen, gemeente Gennep, (hierna: het perceel) ten dienste staat van het recreatieterrein op het aangrenzende perceel [locatie 2], ofwel ervoor te zorgen dat de huidige bewoning wordt gestaakt en gestaakt blijft.
Bij besluit van 14 augustus 2014 heeft het college het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de besluiten van 16 december 2013 voor wat betreft het beëindigen van de bewoning van de woning in stand gelaten.
Bij uitspraak van 29 juni 2015 heeft de rechtbank het door [verzoekers] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 augustus 2014 vernietigd voor zover daarbij de hoogte van de opgelegde dwangsommen is gehandhaafd, de besluiten van 16 december 2013 herroepen voor zover deze betrekking hebben op de hoogte van de opgelegde dwangsommen, de hoogte van de door [verzoekers] te verbeuren dwangsom vastgesteld op € 2.000,00 per week, met een maximum van € 20.000,00 en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 14 augustus 2014.
Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld.
[verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 juli 2015, waar [verzoekers], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door G. Zoet, A.A.M. Pijnappels en mr. J. Hasper, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Bij besluit van 14 augustus 2014 heeft het college de aan de besluiten van 16 december 2013 verbonden begunstigingtermijnen verlengd tot zes weken na verzending van eerstgenoemd besluit. Het besluit van 14 augustus 2014 is op 20 mei 2015 verzonden. De voorzieningenrechter heeft de beslissing van de rechtbank zo begrepen dat één van de bij de besluiten van 16 december 2013 opgelegde lasten is herroepen, zodat voor [verzoekers] tezamen nog één van de bij de besluiten van 16 december 2013 opgelegde lasten geldt. De aan dat besluit verbonden begunstigingstermijn is op 1 juli 2015 verstreken. Op het moment van behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening ter zitting hebben [verzoekers] twee dwangsommen van in totaal € 4000,00 verbeurd. De eerstvolgende dwangsom wordt, indien [verzoekers] niet aan de opgelegde last voldoen, op 22 juli 2015 verbeurd.
3. Het verzoek van [verzoekers] strekt ertoe aan de bij het besluit van 16 december 2013 opgelegde last een nieuwe begunstigingstermijn te verbinden die verstrijkt als de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure.
4. De voorzieningenrechter ziet, de betrokken belangen in aanmerking genomen, aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. Daartoe overweegt hij het volgende.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [verzoekers] om in afwachting van de behandeling van het hoger beroep door de Afdeling in de woning op het perceel te blijven wonen, mede gelet op de omstandigheid dat [verzoeker B] onlangs vroegtijdig is bevallen en [verzoekers] niet beschikken over vervangende woonruimte, zwaarder weegt dan het belang van het college. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat de projectontwikkelaar, die, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, onlangs het recreatieterrein op het perceel [locatie 2] heeft gekocht, op korte termijn in het maken van plannen tot herontwikkeling van het recreatieterrein belemmerd zal worden door bewoning van de woning. Voorts is, mede gelet op de omstandigheid dat het college reeds op 16 december 2013 de last heeft opgelegd, anderszins evenmin gebleken dat het belang van het college bij het staken van bewoning van de woning op het perceel thans zodanig groot is dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat aan het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gennep van 16 december 2013, kenmerk 2013/4808 een nieuwe begunstigingstermijn wordt verbonden die verstrijkt op het moment dat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gennep tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoeker B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gennep aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.