ECLI:NL:RVS:2015:2428
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling na toegangsweigering Schengengebied
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, die het beroep tegen de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel ongegrond verklaarde. De maatregel werd opgelegd nadat de vreemdeling samen met een groep van zestien vreemdelingen op 10 februari 2015 de toegang tot het Verenigd Koninkrijk werd geweigerd en teruggestuurd naar Hoek van Holland. Na aankomst werd hij onderworpen aan grenscontroles en uiteindelijk de toegang tot het Schengengebied geweigerd, waarna een vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd met plaatsaanduiding Justitieel Complex Schiphol.
De vreemdeling stelde dat hij reeds tussen de eerstelijnscontrole en de toegangsweigering onrechtmatig van zijn vrijheid was beroofd, omdat hij de wachtruimte niet zonder toestemming mocht verlaten. De Raad van State oordeelde echter dat deze feitelijke bewegingsbeperking niet kwalificeert als vrijheidsontneming in de zin van artikel 5 EVRM Pro, omdat deze niet het gevolg was van een actief overheidsingrijpen en bovendien niet onredelijk lang duurde.
Daarnaast voerde de vreemdeling aan dat voor het transport van Hoek van Holland naar het JCS een aparte beschikking vereist was. De Raad van State verwierp dit standpunt, stellende dat de beschikking met plaatsaanduiding JCS ook het vervoer en de wachttijd dekt, en dat er geen sprake was van onredelijke wachttijd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel en het vervoer zonder aparte beschikking.