ECLI:NL:RVS:2015:2506
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vennootschap krijgt gelijk in hoger beroep tegen boete Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde de vennootschap een boete op van €8.000 wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning (twv). Na bezwaar werd de boete verlaagd naar €4.000, maar de rechtbank verklaarde het beroep van de vennootschap ongegrond. De vennootschap ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling, als echtgenoot van een Duitse EU-burger die als vennoot werkzaam was in Nederland, onder de reikwijdte van artikel 11 van Pro Verordening 1612/68 viel en daarmee het recht had om zonder twv in Nederland te werken. Ook de latere Richtlijn 2004/38/EG bevestigt dit afgeleide recht van familieleden van EU-burgers om arbeid te verrichten zonder aanvullende vergunning.
De Raad stelde vast dat de woonplaats van de vreemdeling en zijn echtgenote in Duitsland niet relevant is voor het recht op arbeid in Nederland. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de boete terecht was opgelegd. De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en het besluit van de minister, verklaarde het hoger beroep gegrond en bepaalde dat de minister de proceskosten van de vennootschap moet vergoeden.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vernietigd omdat de vreemdeling als familielid van een EU-burger recht heeft op arbeid zonder tewerkstellingsvergunning.