ECLI:NL:RVS:2015:2537
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring onrechtmatig wegens strijd met EU-overdrachtsregels
De vreemdeling werd op 24 juli 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld omdat hij niet binnen de gestelde termijn Nederland uit eigen beweging zou hebben verlaten en niet zou voldoen aan de verplichting tot vertrek naar de verantwoordelijke lidstaat volgens de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees zijn verzoek om schadevergoeding af.
In hoger beroep stelde de vreemdeling dat de verplichting tot vrijwillig vertrek niet kon worden afgeleid uit de overdrachtsbeslissing en dat de Dublinverordening juist voorziet in overdracht onder begeleiding, waarbij het initiatief bij de autoriteiten ligt. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 die een algemene verplichting tot zelfstandig vertrek voorschrijven, in strijd zijn met artikel 7 van Pro de Uitvoeringsverordening bij de Dublinverordening en daarom onverbindend zijn.
Omdat geen andere zware gronden voor inbewaringstelling waren gesteld, was de maatregel van bewaring onrechtmatig. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, en kende de vreemdeling een vergoeding toe over de periode van bewaring. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De inbewaringstelling van de vreemdeling is onrechtmatig verklaard en het hoger beroep gegrond verklaard met toekenning van een vergoeding.