ECLI:NL:RVS:2015:2538
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ongewenstverklaring en signalering in SIS wegens onvoldoende motivering
De vreemdeling heeft bij besluit van 7 januari 2014 verzocht om opheffing van haar ongewenstverklaring en signalering in het Schengen Informatiesysteem (SIS). Dit verzoek werd door de staatssecretaris afgewezen bij besluit van 20 maart 2014, waarna de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde dat de ongewenstverklaring een inreisverbod is dat langer dan vijf jaar duurde en dat zij geen ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, waardoor het in strijd is met de Terugkeerrichtlijn om de gevolgen van de ongewenstverklaring langer dan vijf jaar te handhaven.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de ongewenstverklaring van 3 juni 2008 als een inreisverbod voor onbepaalde tijd moet worden beschouwd, waarvan de gevolgen niet langer dan vijf jaar na vertrek uit de EU mogen worden gehandhaafd, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde. Hoewel de staatssecretaris stelde dat de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt vanwege een geweldsdelict, werd onvoldoende gemotiveerd waarom het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring niet werd ingewilligd, mede gelet op de overgelegde verklaring omtrent gedrag uit Brazilië.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank onvoldoende heeft onderkend dat de staatssecretaris het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en verklaarde het hoger beroep gegrond. Het besluit van 20 maart 2014 werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris tot handhaving van de ongewenstverklaring en signalering in het SIS wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.