ECLI:NL:RVS:2015:2547
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting en intrekking vergunning horeca-inrichting wegens drugsaanwezigheid
De burgemeester van Den Haag besloot op 16 januari 2014 de horeca-inrichting van appellant voor twaalf maanden te sluiten en de drank- en horecawetvergunning en exploitatievergunning in te trekken vanwege de vondst van 93,3 gram hasjiesj in de inrichting. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in, maar de rechtbank en vervolgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarden deze ongegrond.
De Afdeling oordeelde dat appellant voldoende belang had bij het hoger beroep, ondanks uitschrijving uit het handelsregister. De burgemeester mocht zich baseren op een proces-verbaal van 19 november 2013 waarin de hoeveelheid softdrugs nauwkeurig was vastgesteld. De door appellant aangevoerde inconsistenties in de processen-verbaal waren onvoldoende om twijfel te zaaien over de juistheid.
Verder stelde appellant dat niet was aangetoond dat de drugs bestemd waren voor verkoop, maar de Afdeling volgde de rechtbank dat de hoeveelheid softdrugs ruim boven de grens voor eigen gebruik lag en dat de aanwezigheid van contant geld dit vermoeden versterkte. De eerdere sluiting in 2010 wegens drugs vond de Afdeling ook relevant.
De Afdeling bevestigde dat de burgemeester terecht de vergunningen introk en de horeca-inrichting sloot vanwege het gevaar voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sluiting en intrekking van de vergunningen bevestigd.