ECLI:NL:RVS:2015:2626

Raad van State

Datum uitspraak
7 augustus 2015
Publicatiedatum
12 augustus 2015
Zaaknummer
201500025/2/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.19 Wet brpArt. 8:68 AwbArt. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening inzake opname verblijf- en adresgegevens in basisregistratie personen

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft ambtshalve gegevens uit de basisregistratie personen verwijderd die waren opgenomen naar aanleiding van een aangifte van verblijf en adres door verzoeker. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna verzoeker hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Verzoeker verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat het college de door hem opgegeven verblijf- en adresgegevens in de basisregistratie personen zou opnemen. Dit was van belang voor zijn recht op een bijstandsuitkering krachtens de Participatiewet. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vraag of de identiteit van verzoeker deugdelijk kan worden vastgesteld, niet geschikt is voor beantwoording in een voorlopige voorziening en dat de jurisprudentie het belang van betrouwbare en duidelijke gegevens in de basisregistratie personen onderstreept.

Gezien het feit dat verzoeker zich in Nederland van twee onderscheiden identiteiten heeft bediend en dat geen aanleiding bestond om aan te nemen dat de bodemrechter anders zal oordelen, wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter C.H.M. van Altena op 7 augustus 2015.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot opname van verblijf- en adresgegevens in de basisregistratie personen wordt afgewezen.

Uitspraak

201500025/2/A3.
Datum uitspraak: 7 augustus 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], verblijvend te Utrecht,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2014 in zaken nrs. 14/5939 en 14/5940 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2014 heeft het college, voor zover thans van belang, ambtshalve gegevens uit de basisregistratie personen (hierna: brp) verwijderd die hij, naar aanleiding van een door [verzoeker] gedane aangifte van verblijf en adres, daarin had opgenomen.
Bij besluit van 5 september 2014 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 november 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Het college heeft een nader stuk ingebracht.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2015, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. C.M. Suurmeijer-Wawoe, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door E. Bruinsma, vergezeld door mr. M.P.M. van de Mortel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van Pro de Awb heropend.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
3. [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter een zodanige voorlopige voorziening te treffen dat het college, in afwachting van de uitspraak op het ingestelde hoger beroep, aan zijn aangifte van verblijf en adres te ontlenen gegevens in de brp moet opnemen, omdat hij zonder opname van deze gegevens in de brp niet krachtens de Participatiewet voor een bijstandsuitkering in aanmerking kan komen.
4. Ingevolge artikel 2.19, vijfde lid, van de Wet brp worden de gegevens niet in de brp opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld. In de bodemprocedure, waarin niet in geschil is dat [verzoeker] zich in Nederland van twee onderscheiden identiteiten heeft bediend, is de vraag aan de orde of de identiteit van [verzoeker] deugdelijk kan worden vastgesteld. Deze vraag leent zich niet voor beantwoording door de voorzieningenrechter, terwijl hetgeen [verzoeker] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de Afdeling deze vraag in de bodemprocedure bevestigend zal beantwoorden. Nu voorts uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 2 juni 2015 in zaak nr. 201500133/2/A3) volgt dat het doel van de Wet brp is dat gegevens in de brp zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn, bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening als voormeld te treffen.
5. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.
w.g. Van Altena w.g. Robben
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2015
610.