ECLI:NL:RVS:2015:2628
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep vreemdeling tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris wees op 27 maart 2014 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank stelde de vreemdeling in het gelijk en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State beoordeelde het hoger beroep en oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat zij bij terugkeer naar Mauritanië een reëel risico liep op schending van artikel 3 EVRM Pro. De Raad stelde vast dat uit het UNFPA-rapport bleek dat besnijdenis op latere leeftijd vrijwel niet voorkomt en dat het percentage besneden vrouwen in het herkomstgebied van de vreemdeling laag is.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet voldeed aan de vereisten van artikel 85 Vreemdelingenwet Pro 2000. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.