ECLI:NL:RVS:2015:2671
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen voorgenomen feitelijke uitzetting
De vreemdeling maakte op 7 april 2014 bezwaar tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting op 9 april 2014. De staatssecretaris verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk, waarop de vreemdeling beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat op het moment van het bezwaar al beroep aanhangig was tegen het besluit van 16 januari 2014 waarin de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was afgewezen. Hierdoor was bezwaar tegen de feitelijke uitzetting op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet open. Het bezwaar van 7 april 2014 moest worden gezien als een aanvulling op het reeds ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris had daarom geen grondslag om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en een besluit daarop te nemen. De rechtbank had het beroep tegen het besluit van 16 mei 2014 dan ook gegrond moeten verklaren en het besluit moeten vernietigen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris dat het bezwaar niet-ontvankelijk was, is vernietigd en het beroep gegrond verklaard.